Het lage-inkomensvoordeel is met ingang van 1 januari 2017 in werking.
Het aangekondigde lage-inkomensvoordeel (LIV) gaat door. Vanaf 1 januari 2017 kunnen werkgevers
een loonkostensubsidie krijgen voor werknemers die maximaal 125% van het wettelijk minimumloon
verdienen.
Het LIV is onderdeel van de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl). Met deze wet wil de overheid
het aannemen van personeel aan de onderkant van de arbeidsmarkt of in een positie met een afstand
tot de arbeidsmarkt aantrekkelijker maken. Naast het LIV introduceert de wetgever per 1 januari 2018
een tweede nieuwe regeling: de loonkostenvoordelen (LKV). De LKV is een vernieuwde systematiek
voor de huidige premiekortingen, die het aanvragen van de tegemoetkomingen voor ouderen,
arbeidsgehandicapten en de doelgroep banenafspraak eenvoudiger moet maken.
Over het lage-inkomensvoordeel (LIV):
- Het LIV is voor werkgevers die een werknemer in dienst hebben met een uurloon tussen 100% en
125% van het wettelijk minimumloon. Voor deze werknemers kan de werkgever een
tegemoetkoming krijgen. Indien de werkgever recht heeft op het LIV, wordt deze door de
Belastingdienst automatisch achteraf uitbetaald. - In de Verzamelwet SZW 2017 (aangenomen op 27 oktober jl.) zijn enkele wijzigingen opgenomen t.a.v. de LIV- & LKV-regeling. Voor het LIV geldt nu dat de bovengrens niet bij 120% van het wettelijk minimumloon ligt, maar bij 125%. Deze wijziging komt voort uit het rekenen met een 40-urige werkweek in plaats van een 38-urige werkweek. Als het uitgangspunt 38 uur zou zijn, komen ongeveer 30.000 werknemers die meer dan 38 uur per week werken en daarvoor het minimumloon krijgen, niet in aanmerking voor het LIV.
- De tegemoetkoming voor de werkgever bedraagt wat de regelgeving van dat jaar voorschrijft
– maximaal € 2.000 per jaar voor werknemers met een loon tussen 100% en 110% van het wettelijk minimumloon;
– maximaal € 1.000 per jaar voor werknemers met een loon tussen 110% en 125% van het wettelijk minimumloon. - De uurloongrenzen voor de bandbreedtes 100% – 110% en 110% – 125% komen als volgt tot stand:
– men neemt het gemiddelde van het op 1 januari en 1 juli vastgestelde wettelijk minimumloon o.b.v. een 40-urige werkweek inclusief 8% vakantiegeld;
– voor 2016 komt dit neer op 100% = € 9,54 per uur; 110% = € 10,49 en 125% = € 11,92;
– deze bedragen wijzigen volgend jaar met het opnieuw vaststellen van het wettelijk minimumloon. - Voor de berekening van de tegemoetkoming achteraf:
– wordt uitgegaan van het totale fiscale jaarloon van de werknemer inclusief toeslagen;
– dit wordt teruggerekend naar een uurloon;
– dat uurloon wordt getoetst aan de gestelde uurloongrenzen;
– als iemand minder heeft gewerkt wordt de tegemoetkoming naar rato berekend. - De werknemer dient gemiddeld 1248 uur gewerkt te hebben op jaarbasis, waarbij gemiddeld 24 uur per week. Uitzendwerkgevers hebben het voordeel dat de dienstverbanden bij elkaar opgeteld worden. Er gelden geen onderbrekingstermijnen.
- Er geldt geen ondergrens voor leeftijd, wel een bovengrens van de AOW-leeftijd.
- Er hoeft geen doelgroep verklaring aangevraagd te worden. De tegemoetkoming wordt achteraf automatisch vastgesteld op basis van de gegevens uit de loonaangifte.
Op de website van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is een regelhulp te vinden.
Opmerkingen
0 opmerkingen
Artikel is gesloten voor opmerkingen.